Logo
Welkom bij Carrie
Treinmuzikanten
 
Ik zat in de trein en ik hoorde de coupe-deur achter me opengaan en een eerste gitaarnoot. En iemand tegenover verzuchtte: ‘God nee, een muzikant’.
En stiekem wou ik mee zuchten. Ik ben heus niet muzikaal-overgevoelig, ik hou van Death Metal dus ik kan tegen een stootje, maar die treinmuzikanten.
Die presteren het nog om vals te tokkelen op ‘n één-snarige gitaar. En krijgen het voor elkaar om elke accordeon tot jammerzak te verkrachten.
Dus ik zette me schrap. Het waren er twee, muzikanten. En dan twee speciaaltjes. Allebei met totaal verrot lang haar, broodjesmager en geen goede klanten voor de tandarts, want die zaten er niet meer in. Die tanden dan.
Jongens dus die wel een heroïnetje lusten zo nu en dan.
De een stond met een hoed voor het geld in zijn handen; de ander begon te spelen: Redemption Song van Bob Marley. En dat klonk best goed. Dat klonk eigenlijk uitstekend.
Ineens begon er een meisje uit de trein mee te zingen. Haar vriendje deed de tweede stem. Tegenover gingen twee anderen arm in arm mee zitten bewegen. En zelfs ik, die over het algemeen zingen in het openbaar probeer te vermijden omdat ik anders last krijg met de hinderwetvergunning, neuriede mee.
Alleen twee mensen, een echtpaar, stonden meteen saggerijnig op en begonnen naar de deur te lopen. Waarbij de vrouw haar sjaal verloor. De muzikant raapte hem tussen twee akkoorden op en gaf hem aan haar. Toen brak er ook op haar zure gezicht een glimlachje door.
Dat was om een uur of negen ’s avonds. Toen de regen tegen de treinramen aankletterde, we zo direkt allemaal de narigheid van Koning Storm, Hagel en Nattigheid weer zouden moeten gaan trotseren. En toch brak de zon door. En werd het even warm in Rotterdam.
Ik denk haast dat Bob Marley het zo bedoeld heeft.