Zeg dan ook niet tegen mij dat ze er over
zeven minuten uit zal zijn. Uit de operatiekamer.
Mijn dochter hoefde een kleine operatie, dus
een beetje narcose; ach mevrouw, het is een fluitje van een cent.
Dat zal best, maar niet voor een moeder, niet
voor mij. Ik stond die eerste zeven minuten op de gang van het IJsselland
ziekenhuis. Niet helemaal de rust zelve maar toch redelijk kalm. Maar toen kwam
ze niet. En anderen die voor haar de operatiekamer waren opgereden, kwamen wel.
Monter zwaaiend naar hun paps, mams en familieleden.
Ik begon na een kwartiertje in mijn handen te
knijpen. Niet dat ze erg trilden maar de ziekte van Parkinson was er niks bij.
In een kamertje achter mij zag ik intussen de
operatie-assistentes verschijnen. Die erbij waren geweest en die meteen naar de
telefoon grepen.
Mijn hoofd begon te malen. Ik zag mijn dochter
al als dé medische misser van het jaar!
Er kwam een patient langs die olijk tegen me
riep: “Hé zuster Anna ziet gij nog niks komen?” Nee, ik niet maar hij bijna
wel: een blauw oog dat ik hem graag wilde geven.
Een ander wilde een praatje beginnen maar na
een blik op mijn gezicht achtte hij het raadzaam om zijn weg stilletjes te
vervolgen. En goddank, daar ging de deur open. Mijn dochter! Maar wat was er
gebeurd? Haar haar was grijs geworden en heel dun. Oh nee, dat was die oudere
oma die nog ná mijn dochter aan de beurt was geweest. Ik stond nu al drie
kwartier te hart-falen van de zenuwen!
Ik keek om me heen of ik een dokter of
verpleegster zag uit wie ik het slechte nieuws desnoods kon slaan. Tot mijn
dochter plotseling naar buiten gereden werd.
‘Duurde het zo lang?’ vroeg ik zachtjes.
‘Nee,’
zei mijn lieve, lieve dochter, ‘maar ik lag zo lekker.’