‘Hé,’ zegt een meneer tegen me achter Centraal
Station, ‘kan het zijn dat ik u ergens van ken?’
Dat vragen wel meer mensen en dan leg ik
altijd uit dat ik vroeger weleens op tv was. Meestal is dat voldoende. Maar bij
deze meneer niet. Hij wil weten in welk programma dat dan was, hoe ik heet,
waarom ik nu niet meer op tv ben en wat ik nu dan doe. Ik word brommerig, het
miezert namelijk en alhoewel mijn coupe windhoos heel wat kan hebben is mijn
haar nu een draderige natte zooi aan het worden. ‘Sorry, zeg ik kordaat, ‘maar
ik moet nu echt weer verder.’
‘Dat kan niet,’ zegt hij bedremmeld, ‘want ik
moet de weg nog aan u vragen. Weet u waar de Hara Krishna-kerk is?’
‘Nee,’ snauw ik nu, stap op mijn fiets en rij
weg.
Nog geen twee meter verder heb ik het schaamrood
op mijn kaken staan. Wat had ik me nou nog geen twee weken geleden voorgenomen?
Toen we in Kaap-Verdie op vakantie waren en de weg niet konden vinden.
We reden naar twee mannen toe bij een
benzinepomp. Of ze Engels spraken? Nee? Frans dan? Un petit peu...Spaans? Iets
beter. Goed dus toen maar in het Spaans naar de weg gevraagd. Eigenlijk was het
heel makkelijk, zeiden ze, je moest eerst links, toen rechts, weer twee keer
links, over de rotonde heen, derde rechts...
Ik stond ze intussen in volledige wanhoop aan
te kijken. Dat onthoudt toch niemand?
‘Wacht,’ zei de ene meneer, ‘we rijden wel
even voor.’ Hij haalde zijn auto ergens om de hoek op en reed keurig voor ons
uit, tot we de juiste weg gevonden hadden.
Dat gebeurde niet één keer in Kaap-Verdie. Dat
gebeurde geen twee keer in Kaap-Verdie. Dat gebeurde elke keer als we wat
vroegen. Mensen die behulpzaam even met je meeliepen, fietsten of reden.
En dan ga ik lopen snauwen...bij de eerste de
beste verdwaalde Hare Krishna-ganger.
Wat een ongelikte berin ben ik toch.
Ik had toch best even met hem mee kunnen
lopen. Als ik wist waar de Hare Krishnakerk is dan, of het sowieso zou willen
weten.