Het is een van de laatste vriendinnen van mijn
moeder. De rest is al dood, net als mijn moeder trouwens. En elk jaar krijg ik
met Kerst een kaartje. Dat ze mijn moeder zo mist. En mijn vader natuurlijk.
Dat ze vol liefde aan me denkt. En dat we toch gauw eens moeten afspreken.
En dan stuur ik, lompe lellebel, nooit wat
terug. Ik stuur sowieso geen kerstkaarten. Ik koop ze wel. Maar dan blijkt half
februari dat ik weer vergeten ben ze op te sturen en dan gooi ik ze ergens in
een la.
En ze belt me altijd op mijn verjaardag. Als
ik niet net op vakantie ben. Want dat is in augustus.
Dit jaar belde ze in februari, om me te
feliciteren. In maart niet, maar in april weer wel. In mei en juni hoorde ik
niks maar in juli belde ze twee keer. Hiep hiep hoera roepend. En zingend van
je lang-zal-ze-leven.
En elke keer weer zei ik: wat lief dat je
belt, wat leuk dat je eraan denkt, maar het is pas in augustus. Als ik
ertussenkwam dan; want als ze je eenmaal aan de lijn heeft, laat ze niet meer
los. En zit je vast aan anderhalf uur gezondheidsklachten.
Maar in augustus belde ze niet. In september
niet. In oktober niet. Ik zat al te mopperen dat ik nu wel erg weinig jarig was
de laatste maanden. Toen ik op 1 november een kerstkaart van haar kreeg. Met
een gelukkig nieuwjaar voor 2006.
Toen dacht ik: behalve de gordelroos, de
zenuwontstekingen, de valpartijen, de gebroken heup en de enorme eenzaamheid is
er toch iets anders aan de hand. Met de vriendin van mijn moeder.
En ik kocht weer een mooie kerstkaart. Met het
vaste voornemen om hem naar haar op te sturen.
En ik durf het te zweren, eergisteren, dus al
weer flink na 25 en 26 december en ook flink na 1 januari, heb ik de kaart toch
op de bus gedaan. Dat ik ook aan haar denk, met liefde.
Ik hoop zo dat ik deze maand of misschien de
volgende toch weer een keertje jarig ben. In ieder geval in het hoofd van de
laatste vriendin van mijn moeder.