Het was in de super. Ik pakte een pakje sla,
dat sprong open en alle sla viel op het schap, op de plank eronder en op de
grond.
Kortom, ik had er weer een zootje van gemaakt.
Een stukje verderop stonden twee jonge
werknemers van de supermarkt in zo’n koddig uniformpje, dus ik liep er keurig
heen om de sla-zooi te melden.
De jongens, geen dag ouder dan 15, draaiden
zich arrogant van me af en snauwden: ‘Dat moet je niet tegen ons zeggen. Ga
maar naar die gozer daar, die werkt hier in vaste dienst en die moet alle
smerige klussen opknappen.’
Die gozer, ook nog hartstikke jong, stond
intussen in z’n eentje aan een veel te zware voorraadkar te trekken, hielp een
oude dame met haar rollater langs een file met winkelwagentjes heen en knikte
beleefd naar mij; ‘Ik zal straks wel even naar die sla kijken, mevrouw.’
Terwijl die twee brutale snotapen helemaal
niks stonden te doen.
Dat bracht de oude reactionaire muts wel in
mij boven hoor.
Het liefst had ik ze even flink met hun
krullenkoppen tegen elkaar aan willen meppen, dan de chef geroepen om in geuren
en kleuren te gaan zeuren over hun gedrag. Tot ik er getuige van zou zijn hoe
ze bij kop en kont de winkel uitgegooid werden. Want het was toch een
schande...met die jeugd van tegenwoordig!
Tot ik aan mijn eigen eerste vakantiebaantje
dacht. Waarin ik ook nogal lomp en brutaal ben geweest.
Ik moest gehaktballen bakken voor in de
bedrijfskantine. En kroketten. En ik liet nogal eens wat vallen. Tot de chef
mij waarschuwde dat ik straks boete moest gaan betalen voor alles wat viel. En
ik van toen af aan met een gerust hart de gevallen gehaktballen en de kroketten
van de nogal vette vloer opraapte, afstofte en netjes terug in het broodje
deed.
Na twee dagen werd ik ontslagen. Bij die twee
rotjochies in de super zal het heus niet langer duren. Of zouden ze de sla
intussen toch keurig teruggepropt hebben in het zakje?