Ach, wat vond ik het leuk om hem weer eens te
zien. Het was alweer zeker een jaar geleden dat we weleens samen uit eten
gingen. De eerste keer was in een restaurant op de Schiekade. Toen we net zaten
werd er aan de tafel naast ons gevochten. Daar had eerst de drank rijkelijk
gevloeid. En nu het bloed dus ook.
Ik wou meteen weg, want ik ben nogal een
scheitluis als het om agressie gaat. Maar hij lachte erom. ‘Dan maak je weer
eens wat mee, Car!’
En uiteindelijk werd het nog een leuke avond.
Ook aan de tafel naast ons waar allebei de vechtersbazen broederlijk naast
elkaar zaten met tampons in hun neus tegen het bloeden.
En nu stond hij ineens tegenover me. Ik had
net een column uitgesproken over de problemen met de isoleercellen in
psychiatrische inrichtingen. Dat het toch schande was dat ze daar mensen lieten
verrekken–helaas ook letterlijk- nu er net iemand in een stukje brood met
pindakaas gestikt was.
‘Mooie column,’ zei hij.
Maar hij trilde. God, ik heb die gozer met de
moeilijkste idioten op straat zien werken. Hij verblikte of verbloosde nooit.
En nu trilde hij?
‘Gek he,’ zei hij, ‘maar dan komt alles van
vroeger weer terug.’
En ineens ging er een lampje in dat stomme
hoofd van mij branden. Oh shit, ik kende hem via een clientenorganisatie van
psychiatrische patienten. Hij had zelf in de inrichting gezeten. En dus in de
isoleer.
Al jaren is hij de steun en toeverlaat van
iedereen die het moeilijk heeft. Eerst in Rotterdam, daarna in andere steden
van het land. Hij behartigt belangen, hij pakt besturen van inrichtingen aan,
en luistert altijd, ook naar mijn zeikverhalen als ik een treurige avond heb.
Maar hij trilt bij het woordje isoleer. ‘Omdat
het zo vernederend was, zo mensonwaardig, zo totaal wanhopig.’
‘Ik sta zelf te janken als ik iemand in de
isoleer moet doen. En doe het dan ook bijna nooit,’ had een verpleger diezelfde
middag tegen de zaal gezegd. Terwijl je aan het gezicht van anderen zag dat zij
daar toch iets makkelijker mee omgingen. ‘Even tot zichzelf laten komen.’
heette het dat in hun jargon.
Misschien dat je, lieve verplegers en
verzorgers, dan toch even, voordat je iemand weer in de isoleer pleurt, moet
denken aan die vriend van mij. Zo sterk en dan toch trillen, alleen van het
woordje isoleer.