Het was zondagmiddag en ik zat in de trein.
Het was rustig. Ik zat alleen op zo’n stukkie met vier stoelen. En aan de
andere kant van het gangpad zat een jongeman. Ook alleen.
Ik zat heerlijk dromerig naar buiten te
kijken.
Ineens dook er van achter een man op. Een
rocker van een jaar of 35, lang blond haar (keurig gekapt), in een spijkerbroek
(schoon) en een t-shirtje (nieuw).
Hij had niks bij zich. Hij ging eerst 2
minuten staan staren naar rechts. Naar de jongeman die zich ongemakkelijk begon
te voelen. Maar ja, toen had hij mij gevonden. Eerst bleef hij vanuit het
gangpad staan turen alsof hij Charles Manson was en ik Sharon Tate. En toen het
zweet al ongeveer uit al mijn poriën sijpelde, ging hij zitten. Tegenover mij.
Met grote boze ogen. Zonder te knipperen.
Normaal zeg ik dan iets. Maak ik een grapje.
Maar nu had ik kippenvel. Ik dwong mezelf om rustig uit het raam te blijven
kijken. Met mijn handen in elkaar geklemd.
Het was van Leiden naar Schiphol. Normaal
duurt dat een kwartiertje maar nu voelde het als anderhalf uur. Bij Schiphol
kwam er niemand bij, maar er ging ook niemand uit. De starende man, die ik
intussen al als mijn eigen serie-moordenaar zag, bleef ook.
En toen ineens, tien minuten voor Amsterdam,
verdween hij net zo schielijk als hij was gekomen. Pff, wat een opluchting.
Maar in Amsterdam durfde ik de trein toch niet
uit. Want wat als hij stond te wachten? De jongeman die al die tijd naast me
gezeten had, keek me aan.
’Ik was hartstikke bang,’ zei hij, ‘jij niet?’
Ik knikte heftig.
‘Zullen we maar een treindeur verder nemen? En
dan loop ik wel even met je mee naar de uitgang.’
We liepen samen de trein uit. Met al onze
spieren gespannen. Maar de vermeende
serie-moordenaar was verdwenen.
‘Gaat het?’ vroeg mijn galante begeleider bij
de uitgang van het station. Ik zei ja en dag en liep gauw verder.